Engels Paspoort

 

Een Engels paspoort


Semmie was de vader van de vrouw waar ik nu al vijf-en-vijftig jaar mee ben getrouwd. Ik
zag hem nou niet direct als mijn schoonvader omdat het begrip schoonvader-schoonzoon in de Zestiger jaren toch een soort gezagsverhouding betekende. En ach, Semmie en gezag stonden ver van elkaar af. Hij was een kleine timide man, niet erg succesvol in zijn werk, niet erg succesvol in wat dan ook eigenlijk. En ik, met de arrogantie van een 22-jarige, liet hem dat merken. Ik had kritiek op de manier waarop hij slaafde in de zaak van zijn veel rijkere broer, ik had kritiek op de etage  waarin mijn schoonfamilie woonde, ik had kritiek op de manier waarop hij zijn kinderen had opgevoed en – toen het statussymbool bij uitstek – ik had kritiek op zijn tweedehands Simcaatje. Zelf had ik een veel mooiere auto.

Semmie vond me niet direct een ideale man voor zijn dochter, maar hij was er de man niet naar om dat tegen me te zeggen. Misschien mocht hij me wel, al noemde hij me in besloten kring een pietschoppertje. Dat is een mooi ouderwets woord voor een jongen met te veel kapsones. Daar had hij groot gelijk in, mijn arrogantie  was op weinig gebaseerd, arrogante late puber die ik was. Een halve eeuw later heb ik er nog spijt van dat ik Semmie weinig serieus nam. In die tijd woonde ik op een kamertje, familie had ik nauwelijks en die ik had zag ik nooit. Dat gemis werd ruimschoots gecompenseerd door mijn schoonfamilie. Semmie en zijn vrouw waren als een warme deken voor me. De meeste dagen van de week at ik er. Meestal vroeg mijn schoonmoeder wat ik lekker vond, dan ging ze dat kopen. Ze deed mijn was, streek mijn overhemden, gaf me eten mee naar huis, kortom, ze verwende me schromelijk.
Over het gruwelijke oorlogsverleden van het gezin werd maar zelden gepraat. Waarom zou je, alle mensen waar je mee omging hadden een gruwelijk verhaal. 

Mijn schoonvader was in Londen geboren maar hij sprak geen woord Engels. Ergens in de 19de eeuw was een gedeelte van zijn Portugees-Joodse familie in Engeland terecht gekomen, anderen in Amsterdam. De Engelse tak van de familie verging het beter dan de straatarme Amsterdammers. Daarom probeerde Semmie’s vader daar het geluk te vinden en verhuisde naar Londen. Het fijne weet ik er niet van, maar feit is dat de familie in 1912 al weer in Amsterdam terug was. Semmie was toen nog maar drie jaar. Ik heb geen idee waarom hij altijd zijn Engelse paspoort heeft aangehouden. Of hij ook een Nederlands paspoort had weet ik niet. Waarschijnlijk niet, waarom zou hij? Reizen naar het buitenland zat er in die jaren echt niet in.

Voor de oorlog was Semmie perser in de confectiefabriek van Hollandia Kattenburg aan de overkant van het IJ. Het persen van confectiekostuums werd gedaan in strijkkamers. Daar was het natuurlijk heet en vochtig en het was zwaar werk maar het werd relatief goed betaald. En geld was belangrijk want bij Hollandia leerde Semmie zijn Greta kennen. Ze vielen op slag voor elkaar. Greta was de jongste van dertien kinderen en de enige die nog niet getrouwd was. Semmie en Greta trouwden in 1939. In juli 1941 kwam dochter Sellie. Een nogal onhandige tijd om een kind op de wereld te zetten. Maar dan, wie kon eind 1940 het onvoorstelbare voorspellen?

In 1941 volgden de anti-Joodse maatregelen elkaar in een enorm tempo op. Joden moesten zich melden voor werk in het Oosten. ‘Oké,’ dachten velen, ‘ons leven is hier toch onmogelijk gemaakt, dan maar werken in het Oosten.’ Men dacht er het zijne van dat de bezetter ook kinderen, baby’s, invaliden en zelfs ouden van dagen geschikt achtte voor de oorlogsindustrie. Er werden wrange grapjes over gemaakt. Dunne humor, hoe zwart en macaber ook, was het enige dat de mensen nog hadden. Wie relaties en enig geld had probeerde onder te duiken. Maar voor duizenden gezinnen zoals dat van Semmie was dat ondenkbaar. Geld hadden ze niet en ze kenden uitsluitend andere Joden zonder geld.

Mensen die niet konden onderduiken hadden één verdediging tegen hun deportatie. Dat was hun onmisbaarheid voor het functioneren van de steeds kleiner wordende Joodse bevolkingsgroep. Daarvoor werd de Sper uitgevonden. Dokters waren onmisbaar, naaisters van de uniformen-fabriek, sommige ambtenaren, uiteraard de elite die zelf bij de Joodse Raad werkte, de lijst van onmisbaren was eindeloos. Maar werd steeds kleiner, sper na spet platzte. Semmie, perser van beroep was niet onmisbaar maar kreeg toch een sper. Het was zijn Engelse paspoort dat het hem deed. Wat precies de reden is valt niet te achterhalen, maar de nazi’s gingen met mensen met een buitenlands paspoort toch iets voorzichtiger om. Misschien was het toen al de bedoeling hen met de geallieerden te ruilen voor vrachtauto’s. Hoe dan ook, Semmie en zijn Greta waren ‘bis auf weiteres’ gevrijwaard van transport naar Westerbork. Maar dat gold niet voor hun tweejarige dochter Sellie. Die had wel een Nederlands paspoort en was dus wel degelijk geschikt voor arbeid in het Oosten.

‘s-Morgens om 4 uur reed de vrachtauto de Vrolikstraat in. Nederlandse politiemannen kwamen met veel lawaai hun Joden ophalen. Nee, voor Semmie en Greta kwamen ze niet, die hadden immers hun sper. Ze kwamen voor hun dochter Sellie, die moest mee. Niet mee naar de Hollandse Schouwburg en Westerbork maar naar Vught. Daar was een speciaal kamp voor kinderen ingericht. De ouders hoefden zich geen zorgen te maken, voor voldoende kinderopvang zou worden gezorgd. Greta werd hysterisch en vloog de politieman aan. Er volgde enig geduw en getrek, misschien zijn wat klappen gevallen, hoe dan ook, het ophalen ging langzamer dan gepland. De Chef kwam boven en vroeg waarom het ophalen van een tweejarige kleuter zo verdomd lang duurde. De situatie werd hem uitgelegd. De chef toonde dat hij een hart bezat. Als die lastige ouders dan zo graag mee wilden naar het concentratiekamp, dan mocht dat. ‘Voor deze ene keer dan,’ voegde hij er aan toe. Niet zozeer tegen het gezin dat weg moest maar tegen zijn agenten. Tolerantie moest geen gewoonte worden.   

Dertienhonderd kinderen waren in Vught. Niet allemaal alleen, er waren ook moeders met hun kinderen. Complete gezinnen zoals van Semmie en Greta waren een uitzondering.  Alleen kinderen tot 4 jaar mochten bij hun moeder blijven, alle anderen werden kriskras door elkaar ondergebracht in tochtige en smerige barakken. Eten was schaars, het regime onmenselijk. Maar het duurde allemaal niet heel lang. Begin juni 1943 besloot de kampleiding dat de kinderen weg moesten, hun moeders mochten mee. Naar een speciaal kinderkamp zouden ze gaan, daar was het beter. Maar er bestond helemaal geen kinderkamp. De treinen gingen op 6 en 7 juni naar  Westerbork. Daar werden de 1300 kinderen uit Vught aangevuld met nog eens zeventienhonderd mensen. De volgende dag vertrok een veewagentrein met 3013 gevangenen naar Sobibor in Oost-Polen. De trein arriveerde vrijdag 11 juni. De inzittenden werden bij aankomst vermoord.

Semmie’s paspoort zorgde opnieuw voor een wonder. Het gezin zag allen vertrekken in die droevige trein maar bleef zelf in Vught. Niet lang, een paar weken later kwamen ze alsnog in Bergen Belsen terecht. Ze overleefden, vraag niet hoe. Ik zelf heb het zelf nooit durven vragen, er werd eenvoudig niet over gepraat. Wel weet ik dat ze uit Bergen Belsen weg waren toen het kamp in april 1945 door de Engelsen werd bevrijd. Greta, Semmie en hun dochter waren meegestuurd met het zogenaamde Verloren Transport: de trein die door de nazi's zonder bestemming in oostelijke richting was gestuurd. De trein reed weken doelloos door Duitsland, stond soms dagen stil. Dagelijks stierven honderden mensen van honger en dorst. Op 23 april 1945 vonden Russische troepen de trein bij het plaatsje Tröbitz. Semmie vertelde heel soms over de Russische vrouwelijke dokter die hem onderzocht en zorgde dat het gezin – voor het eerst in weken – iets te eten kreeg.

Juni 1945 kwamen Semmie, Greta en Sellie terug in Amsterdam. Hun etage in de Vrolikstraat werd door anderen bewoond. Hun huisraad was verdwenen. Geld hadden ze niet. Hulp kregen ze niet. Sellie, bijna 4 jaar had het gewicht van een eenjarig kind en leed aan vlektyfus. Toch overleefde het gezin. Op zichzelf al een wonder maar zo zagen ze dat niet. Het leven moest verder. Greta beviel in 1947 zelfs nog van een zoon, mijn zwager Ab. Maar de vrolijke sterke vrouw die ze eens moet zijn geweest werd ze niet meer. Niet vreemd wanneer men weet dat de gezinnen van haar twaalf broers en zusters van de aardbodem waren verdwenen. Weg, gewoon weg. Er werd – zoals over alles eigenlijk – nooit meer over gesproken. Zelfs hun namen heb ik maar voor een klein gedeelte kunnen achterhalen. Sem hervatte zijn oude beroep, hij werd weer perser in een kledingfabriek. Maar het werk was te zwaar voor hem. Toen ik hem leerde kennen was hij verkoper in een herenkledingwinkel. Altijd perfect gekleed, altijd bescheiden, altijd betrouwbaar. Zijn werkgevers waardeerden die betrouwbaarheid zeer, benoemden hem tot chef verkoper, gaven hem de sleutels van de winkel en lieten hem de kas opmaken. Helaas vergaten ze hem daarvoor voldoende te betalen. Semmie, net zo timide als voor de oorlog, was er de man niet naar om om loonsverhoging te vragen. Het was geen vetpot bij mijn schoonouders.

Mijn schoonouders overleefden de oorlog maar werden nooit meer gezond. Greta overleed in 1969, 55 jaar oud. Twee jaar later overleed ook Semmie. Hij werd 62 jaar. Compensatie voor het oorlogsleed hebben ze niet ontvangen. De Nederlandse politiek deed er tot 1972 over om een behoorlijke pensioenregeling voor oorlogsslachtoffers  te bedenken.