Deutsche Democratische Republik

 
In 1984 ging mijn bedrijfje over de kop. Ik had drie kinderen, geen baan en geen idee wat ik met de rest van mijn leven ging doen. Ik was werkeloos, straatarm en hartstikke depressief. Kortom, ik had een midlifecrisis van jewelste, al kende niemand nog dat woord. We noemden het toen gewoon wat het was: een rottijd. Daarom kwam dat telefoontje van Alan, een vroegere vriend uit Londen als een geschenk uit de hemel. ‘Ik sprak toch vloeiend Duits? Had ik wat te doen? Wilde ik Chinese textiel verkopen in het communistische Oost Duitsland, de toenmalige DDR?’ Mijn antwoord was drie keer enthousiast ja. Natuurlijk wilde ik dat. Er was slechts één probleempje. Ik had geen zaak, geen kantoor en geen rooie cent. Bovendien geen idee hoe ik het moest aanpakken. Alan wist het ook niet zo precies. ‘Ik heb alleen een telefoonnummer en de naam van de directeur van een inkoopkantoor daar.’ ‘Probeer een afspraak met hem te maken. Als je dat lukt krijg je verdere instructies uit Hong Kong.’  ‘Maar wat moet ik voor verhaal houden, wat is dat voor bedrijf in Hong Kong?’ ‘Zeg maar Merchant Brokers Services Limited,’ antwoordde hij. Ooit waren Alan en ik van plan om samen een bedrijfje te beginnen. Nadat we die tongbreker van een naam hadden bedacht en maar vast visitekaartjes lieten drukken was het er nooit van gekomen. Maar die kaartjes had ik nog. Merchant Brokers Services Limited stond erop. En Rob Fransman, managing director. Managing director van niks.


Ik zag weinig in het plan en vertelde Alan dat ik er even over wilde nadenken. Van Oost Duitsland wist ik alleen maar wat iedereen wist. De muur, automatische schietgeweren, dictatuur, Stalin, onvrijheid en afschuwelijke grenscontroles als je zo dom was met de auto naar West Berlijn te gaan.  Maar de volgende dag belde Andreas uit Hong Kong om me alsnog te overtuigen. Andreas was een Noor die ik nog kende uit een eerdere, wel succesvolle periode en nu een bedrijf had in Hong Kong. Daar had hij zijn fortuin gemaakt en zich een Hollywoodachtige uitstraling aangemeten. Ook toen ik hem eerder in Londen leerde kennen was hij altijd al omringd door schitterende vrouwen, nodigde zijn relaties uit in dure restaurants en reed in onbetaalbare sportauto’s.


Andreas vertelde me dat hij eerder grote zaken had gedaan met het enige textielbedrijf in de DDR. Helaas kreeg hij ruzie met de inkoper en was zijn visum ingetrokken. Hij mocht er nooit meer komen. ‘Het enige bedrijf?’ vroeg ik verbaasd. ‘Ja, dat was nu eenmaal zo in de communistisch wereld. Alles is staatseigendom,’ was het antwoord. ‘Maar als je contact kunt maken en ze zien wat in je, kun je daar grote zaken doen.‘ voegde hij er aan toe. ‘Meestal willen ze provisie voordat de order wordt geplaatst. Reken op enorme bedragen. Maar wat ze ook voorstellen, zeg op alles ja, wij financieren,’ was zijn dringend advies. Ik antwoordde dat ik helaas even krap zat. Een eufemisme, mijn bankrekening stond knalrood. ‘Kun je met vijfduizend gulden naar Oost-Duitsland?‘ vroeg Andreas, ‘dan maak ik dat nu over.’ Een uurtje later belde de bank dat er vijfduizend gulden op de rekening was gestort. Dat was prettig, heel prettig.


Daar zat ik dan aan de huistafel, de telefoon aan een lange (ja, het is lang geleden) draad. Voor me lag mijn visitekaartje en een papiertje met de naam van die man in Oost Duitsland. Het was een ellenlang telefoonnummer. Stel dat ik hem aan de telefoon kreeg, wat moest ik dan in hemelsnaam vertellen? Een verhaal dat ik een bedrijf in Hong Kong vertegenwoordigde dat alles kon maken wat ze maar nodig hadden tegen betere prijzen en condities? En stel dat die man geïnteresseerd was, wat dan? Enfin, ik had vijfduizend gulden en kon het in ieder geval proberen. Nerveus belde ik het nummer in de DDR. Ik had nog nooit naar Oost-Duitsland gebeld. Maar de telefoon klonk alsof het om de hoek was. ‘Textilvertretungen, guten tag,’ hoorde ik. ‘Eh, ja, guten tag, meine Name ist Fransman, der Vertreter in Amsterdam von (hier stopte ik even om snel op het kaartje te kijken want ik vergat die onmogelijke naam steeds) Merchant Brokers Services aus Hong Kong und ich möchte gerne mit Herr Möller sprechen.’ ‚Moment mal,’ hoorde ik, wat klikken en toen een hele tijd niets.  Net toen ik wilde ophangen nam Herr Möller op. Naar mijn idee vertelde ik hem een raar verhaal. Ik was de directeur van de Nederlandse vestiging van een groot bedrijf in Hong Kong en wilde de zaken uitbreiden naar het socialistische buitenland. Andreas had me gewaarschuwd om nooit het woord communistisch gebruiken. Omdat ik geen ervaring had buiten West Europa, zou ik graag naar Berlijn komen als Herr Möller me wilde ontvangen en me zou leren hoe het daar toegaat. Tot mijn stomme verbazing hapte hij meteen toe. ‘Ja, in Ordnung,’ hoorde ik, kommen Sie mal vorbei.’ ‚Morgen?’ vroeg ik, maar dat ging zo maar niet. Ik kon alleen komen met een officiële uitnodiging. Hij zou me een telex sturen. Telex? Die had ik helemaal niet. Waar haalde ik in hemelsnaam een telex vandaan? Ik hakkelde iets over slechte verbinding, dat ik Herr Möller niet kon verstaan en dat ik hem terug zou bellen. Toen hing ik op. ‘Verpest,’ dacht ik.


In een straatje bij de Overtoom had je indertijd een telexbureautje. Nu ik er aan denk is het bijna belachelijk hoe primitief het nog maar dertig jaar geleden toeging. Voor een maandelijks bedrag simuleerde dat bureau dat je zelf een telex had. Inkomende telexen werden door een juffrouw per telefoon voorgelezen, uitgaande kon je het beste even thuis typen en dan zelf langsbrengen, dan wist je zeker dat er geen foutjes werden gemaakt. Zelden heb ik zo hard gefietst om daar klant te worden!

Drie kwartier later was ik weer thuis, nu had mijn firma een telex. Weer bellen met Oost Duitsland met mijn ouderwetse draaischijftelefoon, weer eindeloos doorverbonden worden, maar uiteindelijk kreeg ik toch de al eerder gesproken  Herr Möller aan de lijn.

‘Ja, de telefoonlijnen waren slecht, vandaar die onderbreking,’ vertelde Möller en ik wachtte me er wel voor hem te vertellen dat de storing gefingeerd was. Hij ging me een uitnodiging sturen en dan moest ik maar eens komen praten, zo beloofde hij. ‘Graag,’  antwoordde ik en daarmee hingen we op. De hele week hoorde ik niets en durfde nauwelijks het huis uit om de uitnodiging niet te missen. En werkelijk, nooit gedacht toch gekregen, de juffrouw van het telexbureautje belde. Ik kreeg een officiële uitnodiging voor een bezoek aan de Arbeiders en Boerenstaat.


Ik werd twee dagen later om tien uur ’s-Morgens verwacht. Dat kon ik nooit halen dus boekte ik een hotel in Oost-Berlijn. 5 maart 1984 vloog ik naar West Berlijn en zocht op het vliegveld naar een taxichauffeur die me naar de andere kant van de muur wilde brengen. Die vond ik niet. Wel een chauffeur die me naar het S-Bahn station bracht en uitgebreide instructies gaf hoe ik in Bahnhof Friedrichstrasse naar de andere kant moest komen. Daar ging ik dan. Dat station bleek een wat vervallen maar heel gewoon metrostation te zijn. Na enig zoeken vond ik in de gangen naar de doorgang naar Oost Berlijn. Er werd me niets in de weg gelegd om West Berlijn te verlaten, maar de paspoortcontrole aan de andere kant was andere koek. De achter een ondoorzichtig gemaakt glas zittende vopo onderwierp mijn paspoort en de telex-uitnodiging aan een aandachtig onderzoek.  Maar ik mocht door! Door een lange gang en naar pies ruikende trappen kwam ik in een andere wereld weer boven de grond.


Het was koud en donker in de Friedrichstrasse. Natuurlijk was het in het helverlichte West Berlijn net zo koud, maar door sinistere sfeer leek het aan de andere kant van de muur een stuk kouder.  Daar liep ik dan, moederziel alleen in een doodstil Oost-Berlijn. Ik wist dat hier meer dan een miljoen mensen woonden, maar die zaten kennelijk allemaal binnen. Er reden alleen wat pruttelende Trabantjes voorbij en een paar taxi’s van Russische makelij. Ik liep met mijn koffertje het viaduct uit en zag warempel een middelbaar echtpaar lopen. Ik hield ze aan en vroeg waar het centrum was. “Sie sind in der Stadtmitte,” was het antwoord. Vriendelijk wezen ze me de weg naar het Metropole-hotel. Ik was er al voorbij gelopen, het bleek recht voor het station te staan. Eenmaal in het hotel kwam ik weer in een min of meer vertrouwde wereld. In mijn hotelkamer in de door een Zweedse firma gebouwde steenklomp was het lekker warm.


De volgende morgen bestelde ik een taxi naar mijn afspraak met Herr Möller. Ik had geen idee waar zijn kantoor was in Berlijn en ik had nogal naïef Amsterdamse afstanden in mijn hoofd. Wist ik veel dat Oost Berlijn zo groot was als de provincie Utrecht? Bovendien, in tegenstelling tot de vorige avond, was er nu wel druk verkeer. Mijn eigen Volga-taxi stond lang in de file tussen de honderden Trabantjes en ander Oost Europese vehikels. Enfin, Herr Möller’s kantoor bleek niet in Berlijn zelf maar in Gruenewald, een dorpje ver buiten Berlijn, te zijn. Ik arriveerde ruim een half uur te laat. Wat een slecht begin! Was ik voor niets gekomen? Maar dat viel mee. Ik werd met alle egards ontvangen. In het kantoor speciaal voor bezoekers uit het kapitalistische Westen ontving Herr Möller me hartelijk met een kop koffie en de vraag of ik al gefrühstuckt hat. Dat had ik, maar zijn welkom verraste me. De ruimte was ingericht met een grote vergadertafel met daarop flessen mineraalwater en een set glazen. Hij deed de deur dicht. Het viel me op dat die deur bekleed was met een dikke laag gecapitonneerd leer. Op zichzelf niet bijzonder natuurlijk, maar later zou ik zien dat letterlijk in alle ontvangstruimtes in Oost Europa dezelfde tafel stond, met dezelfde flessen en dezelfde geluidsdichte deuren. Of het nu in Polen was, Hongarije, Tsjechië of Rusland, gastenrelaties uit het vrije Westen werden verstopt achter geluidsdichte deuren. Zelfs 25 jaar later in München, toen ik daar was voor het Demjanjukproces, zag ik in het Russische consulaat weer zo’n kamer. Kennelijk verdween het ijzeren gordijn maar was het zonde om al die eigenaardige kantoren op te ruimen.


Enfin, ik herhaalde nogmaals het kletsverhaal over mijn grote bedrijf in Hong Kong en dat we daar brandden van verlangen om met de Oost Duitse Arbeiders en Boerenstaat zaken te doen. Tot mijn verbazing ging het erin als zoete koek.  ‘Nou,’ zei meneer Möller, ‘daar hebben we best interesse in. U moet wel weten dat wij op provisie werken. Als wij een order plaatsen rekenen we tien procent provisie en die moet meteen betaald worden. Zelf betaalt onze klant drie maanden nadat de goederen zijn geleverd.’ De klant was uiteraard de staat zelf, net als het inkoopbureau dat me ontving. Privé handel bestond immers niet. De condities waren te gek voor woorden maar omdat Andreas me nu eenmaal bezworen had om met alles akkoord te gaan, knikte ik begrijpend. ‘Geen enkel probleem,’ antwoordde ik.  ‘Nou dan moet u maar snel langs komen met uw jassen, broeken en truien. Graag voor mannen, vrouwen en kinderen. Zullen we zeggen vandaag over een week?’


Terug in West Berlijn belde ik meteen Andreas in Hong Kong. Ik was gelukkig met de uitnodiging en het visum dat ik meteen meekreeg maar hoe kwam ik in hemelsnaam aan een collectie kleding binnen een week? Uit ervaring wist ik dat beetje toonbare collectie minstens zo’n drie maanden voorbereiding vergde.

Een ontwerper aannemen, stoffen uitzoeken, maakloon berekenen, kleuren, prijzen, modellen….zo eenvoudig was het confectiewereldje nu ook weer niet. Bovendien was van het voorschot dat me uit Hong Kong was gestuurd niet meer zo veel over. Maar Andreas was dolgelukkig dat het me gelukt was om een tweede afspraak te krijgen. ‘Nu doorpakken,’ juichte hij door de telefoon. Natuurlijk wilde ik dat, maar hoe? Andreas wist raad.

‘Ga gewoon naar C en A, Vroom en Dreesmann en nog wat van die winkels en koop alles wat je geschikt vindt. Koop 2 exemplaren per stuk, houdt er eentje, knip de etiketten er uit, koop in de kantoorboekhandel blanco etiketten et voilà, je hebt een collectie.’  ‘Maar hoe bepaal ik de prijs?’, sputterde ik tegen. ‘Je hebt toch ervaring genoeg? Je weet de marge van de grootwinkelbedrijven en omdat je buiten West Europa verkoopt kun je nog wat goedkoper zijn!’ Andreas’ oplossing was geniaal in zijn eenvoud. Een tweede voorschot volgde en terug in Amsterdam was ik die eigenaardige klant waar ze bij C & A nog over spreken. Het was midden maart en buitengewoon koud. En daar kwam ik, als een dolle zomerkleren kopend, twee van dit en twee van dat. Duidelijk niet voor mezelf want ik kocht kinderkleren, damesjacks, mannenboeken en natuurlijk alles zonder te passen. Het gezicht van de juffrouw bij de kassa vergeet ik nooit. Thuis verving ik de etiketten en bedacht wat de handel zou moeten kosten. Precies een week later vloog ik weer naar Berlijn, nu met vier koffers vol met kleren. In West Berlijn huurde ik een auto en bereikte door het beruchte Checkpoint Charlie Oost Berlijn.


Dit keer werd ik ontvangen door de chefs van de diverse afdelingen. Frau Becker en Frau Liebert, en Frau Zus en Frau Zo.  Ik deed mijn best om de namen te onthouden, maar was (en ben) daar heel slecht in. De dames namen een stuk of tien dingen mee, de rest kon ik inpakken. Daar zat ik dan, alleen in die grote vergaderkamer met mijn koffers. En ik zat en zat en zat. Na een uur of wat bedacht ik dat ik toch maar eens op een deur moest gaan kloppen om hoe of wat te vragen. Ik liep een lange gang in met veel deuren. Vreemd, achter de ruitjes was niemand. Kennelijk was iedereen naar huis. Gelukkig kwam ik een mevrouw tegen die vroeg wat ik daar deed. Ik vertelde dat ik daar zelf geen idee van had maar dat ik wel erg lang wachtte. Ze haalde haar schouders op en zei dat ik haar moest volgen. Trappetje op, gangetje door en daar was het kantoor van Herr Möller. Hij was stomverbaasd. ‘Wat doet u hier nog?’ Ik antwoordde dat ik de hele middag aan het wachten was en dat de dames er met een aantal monsters vandoor waren. ‘Ach wat erg, heeft dan niemand u verteld dat we hebben besloten om een proeforder bij u te plaatsen?’ In het Duits klonk het veel mooier:

Ach Entschuldigung bitte, hat denn keiner Ihnen erzählt dass wir ihre Firma eine Probeauftrag erteilen?’ Vergeet Beethoven, Brahms, zelfs Mozart. Dit was de mooiste muziek die ik ooit gehoord heb. Heer Möller haalde uit zijn bureau een stapel papier. De proeforder was allerminst een proef, het was een hele grote opdracht. Of ik binnen tien dagen maar even de provisie wilde overmaken. De leveringscondities zou ik wel per telex ontvangen.

Diezelfde week vloog ik naar Hong Kong. Mijn wereld was totaal veranderd.  Drie weken daarvoor was ik nog werkeloos, depressief en had geen cent te makke. Nu wachtte een eerste klas hotel in Hong Kong op me en had ik zeer interessant werk voor  de boeg.

Het was het begin van een succesvolle periode. Maar de zakelijke besognes zijn voor dit verhaal niet interessant. Natuurlijk ging niet alles van een leien dakje. Maar toch, na het begin in Oost Duitsland probeerden mijn vrienden uit Hong Kong en ik het kunstje te herhalen in andere Oost-Europese landen. Soms met succes, soms zonder enig resultaat. Oost Duitsland bleef het belangrijkste afzetgebied.


Na een paar bezoeken kreeg ik een VIP-visum en kon me vrij bewegen in dat land.  En zag wel degelijk hoe door en door verrot het communistische systeem was. Voelde ik me schuldig dat ik er wel in en uit kon en de mensen die daar woonden niet? Misschien een beetje maar ik bekeek het filosofisch. Dit deel van Duitsland werd wèl gestraft voor de Hitlertijd. En waar het in de Oost-Duitse Hauptstadt Oost-Berlijn, als etalage van de communistische heilstaat nog wel meeviel, gaven me de bittere armoede en de puinhopen van de nog steeds maar half gerepareerde ruïnes me een grimmig genoegen Tenslotte deed onze eigen regering ook volop zaken met de DDR. En ik moest wel eten.

Zes jaar lang was ik kind aan huis in Oost Duitsland. Ik reisde er soms wel drie keer per maand heen. Minstens vier keer per jaar kwam ik in Hong Kong om de orders te produceren.


Eén belangrijk ding. Van zelfs maar verborgen antisemitisme heb ik daar nooit iets gemerkt. Terwijl ik bepaald niet verborg dat Ik Joods was. Mijn auto had een schuifdak en ik reed als het maar even kon met het dak open. Men dacht toen nog dat dat gezond was. ‘Ach meneer Fransman, wat bent u bruin,’ hoorde ik vaak van de – altijd vrouwelijke - inkopers. ‘Ik ben net terug uit Israël,’ was dan mijn vaste antwoord. Ook als ik er helemaal niet geweest was. Hoewel Israël in de officiële staatspolitiek natuurlijk de vijand was en onderdrukker van het arme Palestijnse volk, kreeg ik nooit een nare reactie. Integendeel, men wilde alles van me weten. Hoe Tel Aviv er uitzag, wat men at in zo’n warm land, wat voor fruit er te koop was (in de DDR was fruit een delicatesse voor de elite) en of Jeruzalem nu echt een heilige stad was.


Eind 1989 zou de DDR 40 jaar bestaan. Ter ere van de feestelijkheden moesten de winkel extra bevoorraad worden en mijn bedrijfje kreeg de grootste order ooit. Natuurlijk zag ik ook wel dat het systeem niet eeuwig zou kunnen bestaan. Maar dat het zo snel zou gaan kon ik niet bedenken. Op 7 november was ik in Berlijn en Leipzig. Er waren wel wat ongeregeldheden maar ik merkte er weinig van. Zoals altijd werden die in onze pers sterk overdreven. Even verder ging het leven gewoon door. Op 9 november was ik weer thuis. Twee dagen later viel de muur.




De zaken gingen nog een paar maanden gewoon door. Toen pieterde de handel met de DDR langzaam uit. Ik moest iets nieuws verzinnen. Tja, zo gaat dat. Ik beklaag me niet. Helemaal niet!